De Rijn is een belangrijke drinkwaterbron voor miljoenen mensen. Maar welke chemische stoffen reizen met het water mee? En verandert de waterkwaliteit terwijl de rivier door Nederland stroomt? Om die vragen te beantwoorden voerde Het Waterlaboratorium een uitgebreid verkennend onderzoek uit naar de chemische waterkwaliteit van het Nederlandse deel van de Rijn.
Water bevat van nature allerlei stoffen, daarnaast komen er door menselijke activiteiten niet-natuurlijk stoffen in het oppervlaktewater terecht. Denk hierbij aan geneesmiddelen, bestrijdingsmiddelen, industriële chemicaliën en PFAS. Een deel daarvan is afkomstig uit het buitenland, en een ander deel uit Nederland zelf. Voor drinkwaterbedrijven en waterbeheerders is inzicht in de herkomst en verspreiding van chemische stoffen essentieel. Wanneer bekend is waar stoffen vandaan komen en hoe zij zich door het watersysteem bewegen, kunnen passende maatregelen worden genomen om de waterkwaliteit te beschermen.
Voor dit onderzoek zijn eenmalig monsters genomen op verschillende locaties langs de Nederrijn, Lek, het Amsterdam-Rijnkanaal, het Lekkanaal, de IJssel en het IJsselmeer, zie Figuur 1. Vervolgens zijn honderden bekende en onbekende stoffen onderzocht met zowel doelstofanalyses als screeningsmethoden. De doelstofmethodes richten zich op bekende stoffen, terwijl screeningsmethoden ook onbekende stoffen zichtbaar maken. Daarmee ontstaat een steeds completer beeld van wat er werkelijk in onze rivieren aanwezig is. Omdat het onderzoek gebaseerd is op een eenmalige meetcampagne, geven de resultaten een momentopname van de chemische waterkwaliteit.
Een van de eerste bevindingen van het onderzoek is dat de chemische samenstelling van het water bij Lobith en iets stroomafwaarts bij Huissen sterk overeenkomt. Ook tussen de west- en oostoever bij Huissen worden slechts kleine verschillen aangetroffen. Dit wijst erop dat het Rijnwater bij binnenkomst in Nederland relatief homogeen van samenstelling is. Pas na de splitsing van de Rijn ontstaan duidelijke verschillen tussen de afzonderlijke rivierarmen. Langs de Nederrijn en de Lek blijft de chemische waterkwaliteit relatief stabiel. De concentraties van de onderzochte stoffen vertonen weinig variatie tussen de meetlocaties. In de IJssel worden daarentegen grotere verschillen in chemische samenstelling waargenomen. Dit hangt mogelijk samen met het kleinere watervolume dat door de IJssel stroomt. Daardoor worden lokale invloeden relatief beter zichtbaar. Hoewel de meetcampagne slechts een momentopname biedt, geeft het een uniek beeld van de chemische stoffen in het Nederlandse stroomgebied van de Rijn. Daarmee levert het onderzoek waardevolle kennis voor het volgen van ontwikkelingen in de waterkwaliteit

