Zeer polaire stoffen zijn sterk polaire verbindingen die goed oplosbaar zijn in water en meestal niet of nauwelijks afbreken. Daardoor stapelen ze snel op in watermilieus en zijn ze moeilijk te verwijderen tijdens de productie van drinkwater. Het Waterlaboratorium gebruikt sinds begin dit jaar een eigen ontwikkelde en gevalideerde methode om deze stoffen te meten en monitoren.
Onder zeer polaire stoffen valt sulfaminezuur, dat in de industrie wordt gebruikt om te ontkalken. Andere voorbeelden zijn het desinfectiemiddel perchloraat en een kleine PFAS-variant genaamd trifluormethaansulfonzuur. Voor drinkwaterbedrijven zijn oppervlakte- en grondwater belangrijke bronnen om drinkwater uit te maken. Zeer polaire stoffen kunnen zich opstapelen in deze bronnen en zijn door hun sterke wateroplosbaarheid moeilijk te verwijderen tijdens de drinkwaterproductie. Dat maakt het belangrijk om de mogelijke aanwezigheid van deze stoffen in zowel de bronnen als het drinkwaterproductieproces en het eindproduct te bepalen en ze te volgen.
Werkbaar en gevalideerd
In het verleden besteedde Het Waterlaboratorium de analyse voor zeer polaire stoffen uit aan KWR. Sinds begin 2026 is een eigen methode in gebruik. Chemisch analist Bram Hijzelendoorn werkt bij Het Waterlaboratorium naast routinecontroles op waterkwaliteit aan het ontwikkelen van nieuwe methodes. Hij heeft de in-huismethode voor zeer polaire stoffen samen met collega’s ontwikkeld: “Daar zijn we van medio 2023 tot eind 2025 mee bezig geweest. Het kostte heel wat onderzoeksuren en tests met verschillende condities om de methode geschikt te maken voor ons doel.”
Componenten scheiden
Bram legt uit hoe methodeontwikkeling werkt: “Voor de stoffen die je wilt opnemen in de methode bepaal je eerst het meetprincipe om ze meetbaar te maken. Voor zeer polaire stoffen gebruiken we vloeistofchromatografie om de componenten die we willen bepalen van elkaar te scheiden. Daarvoor kijk je onder andere naar de eigenschappen van de stoffen, zoals structuur, polariteit en zuurconstante. Door het scheiden van de componenten kunnen ze een voor een naar een detector; in dit geval een massaspectrometer-detector. Dit apparaat meet bekende massa’s en hun bijbehorende fragmenten die voor elk component uniek zijn. Op die manier weet je zeker dat je het component dat je wilt meten ook daadwerkelijk meet.”

Maandelijks meten
In de ontwikkelfase waren veertig wensstoffen opgenomen om te meten. Gaandeweg bleven er negen over die voldoen aan de kwaliteitscriteria van Het Waterlaboratorium en ook de validatie hebben doorstaan. De KWR-methode bestond uit acht stoffen. “Bij het ontwikkelen van onze eigen methode wilden we zo veel mogelijk van deze stoffen opnemen, om te voorkomen dat onze klanten na de overstap van bepaalde stoffen geen meetdata meer zouden hebben,” aldus Bram. “Daarom hebben we zeven van de acht KWR-stoffen overgenomen.” De meting op zeer polaire stoffen gebeurt maandelijks. Er zijn inmiddels twee meetseries afgerond. Bram: “Beide series gingen goed. Tijdens de ontwikkelfase zijn we tegen veel uitdagingen aangelopen. Daarom ben ik er extra trots op dat we nu een eigen analysemethode hebben.”
